ECLI:NL:CRVB:2009:BH6103
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- P.J. Jansen
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld op grond van Ziektewet wegens geschiktheid voor arbeid als productiemedewerker
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV weigerde hem vanaf 30 september 2003 een WAO-uitkering toe te kennen omdat hij geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. Later meldde appellant zich opnieuw ziek en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na onderzoek door een verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts werd hij per 9 mei 2006 geschikt verklaard voor zijn arbeid, waarna het UWV het ziekengeld introk.
Appellant bracht in de beroepsfase medische stukken in van zijn revalidatiearts en huisarts, maar deze werden door de rechtbank buiten beschouwing gelaten vanwege te late indiening (binnen tien dagen voor de zitting). De rechtbank oordeelde dat de maatstaf voor arbeid het productiewerk bij zijn werkgever was en dat er geen reden was om te twijfelen aan de geschiktheid zoals vastgesteld door de artsen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de medische stukken ten onrechte niet werden betrokken en dat het UWV de zwaarte van zijn werkzaamheden onderschatte. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de stukken niet betrok vanwege de termijnoverschrijding en dat de beschrijving van de werkzaamheden niet onjuist was aangetoond. De medische rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts onderbouwden voldoende dat appellant geschikt was voor zijn arbeid. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt was voor zijn arbeid als productiemedewerker.