ECLI:NL:CRVB:2009:BH6144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens en niet-nakoming inlichtingenplicht
Betrokkene ontving vanaf januari 2005 bijstand op grond van de WWB. Uit een signaal van de Belastingdienst bleek dat betrokkene beschikte over een kapitaalrekening met een tegoed van € 20.896, wat de vermogensgrens overschreed. Op basis hiervan trok appellant de bijstand per 1 februari 2006 in en wees latere aanvragen af.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten gegrond en vernietigde deze, stellende dat betrokkene op 1 februari 2006 niet beschikte over vermogen boven de grens. De Raad herzag dit oordeel deels en oordeelde dat het saldo op de kapitaalrekening aan betrokkene kan worden toegerekend, omdat betrokkene onvoldoende bewijs leverde dat het geld toebehoorde aan een vriend.
Hoewel het besluit van 18 mei 2006 onvoldoende gemotiveerd was, concludeert de Raad dat betrokkene vanaf 1 februari 2006 geen recht op bijstand had vanwege het ontbreken van verifieerbare gegevens over de besteding van het opgenomen saldo. Tevens werd vastgesteld dat betrokkene zijn inlichtingenplicht niet nakwam, waardoor appellant bevoegd was de bijstand in te trekken.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze appellant opdroeg nieuwe besluiten te nemen, handhaafde de rechtsgevolgen van de eerdere besluiten en veroordeelde appellant in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 februari 2006 wordt bevestigd en de eerdere vernietiging van besluiten wordt beperkt, waarbij de rechtsgevolgen van de besluiten in stand blijven.