ECLI:NL:CRVB:2009:BH6363

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3422 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep WW-voorschotbesluit

Appellant werd op staande voet ontslagen en vroeg een WW-uitkering aan. Het UWV besloot geen voorschot te verstrekken en verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het ontslag ongedaan was gemaakt en een WW-uitkering was toegekend.

In hoger beroep stelt appellant dat het UWV de kosten van de bezwaarprocedure moet vergoeden. De Raad oordeelt dat appellant wel een belang had bij beoordeling van het voorschotbesluit en vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van de rechtbank. Omdat appellant geen grieven tegen het voorschotbesluit heeft aangevoerd en het primaire besluit niet is herroepen, is vergoeding van de kosten in bezwaar niet mogelijk.

De Raad verklaart het beroep ongegrond, wijst een schadevergoeding af, maar veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en het betaalde griffierecht. Hiermee wordt het belang van een juiste procedure en kostenvergoeding in hoger beroep onderstreept.

Uitkomst: Het beroep tegen het voorschotbesluit wordt ongegrond verklaard, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.

Uitspraak

08/3422 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 juni 2008, 07/1041 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellant is op 23 april 2007 op staande voet ontslagen. Op 8 mei 2007 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 10 mei 2007 (hierna: primair besluit) is appellant meegedeeld dat er nog geen beslissing kan worden genomen op deze aanvraag en dat appellant ook geen voorschot op een WW-uitkering krijgt. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 19 september 2007 kennelijk ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij meegedeeld dat het voorschot op nihil is gesteld.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat een voorschot niet meer kan worden toegekend nu het ontslag op staande voet ongedaan is gemaakt en aan appellant met ingang van 3 september 2007 een WW-uitkering is toegekend.
4. Het hoger beroep van appellant komt er op neer dat appellant van mening is dat het Uwv door de wijze van besluitvorming de kosten van de behandeling van het bezwaar dient te vergoeden.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar het oordeel van de Raad had appellant in de gegeven omstandigheden een in rechte te honoreren belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden (voorschot)besluit.
5.2. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend vergoed voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
5.3. Appellant heeft uitdrukkelijk geen grieven aangevoerd tegen de voorschotverstrekking, maar heeft zich uitsluitend gericht tegen de in het bestreden besluit gebruikte letterlijke bewoordingen. Noch uit de strekking van het bestreden besluit, noch uit de daar gebezigde letterlijke bewoordingen volgt dat het Uwv het primaire besluit heeft herroepen. Dit betekent dat de kosten die appellant in bezwaar heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
5.4. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep wel ontvankelijk is doch dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.
6. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard is er voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb geen plaats.
7. De Raad ziet in de vernietiging van de aangevallen uitspraak wel aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- wegens verleende rechtsbijstand. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
BvW