ECLI:NL:CRVB:2009:BH6365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering door vergoeding bij ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was werkzaam bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 januari 2007. Bij de ontbinding werd een bruto vergoeding van €20.000 toegekend, aangeduid als gekapitaliseerde suppletie op de uitkering of lager salaris elders. Appellant vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, maar het UWV wees dit af vanwege de vergoeding en de fictieve opzegtermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de vergoeding moet worden aangemerkt als inkomsten gelijkgesteld met loondoorbetaling volgens artikel 16, derde lid, van de WW. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het bedrag bedoeld was als compensatie voor inkomensverlies en dat er weinig overbleef na kosten en belastingen.
De Raad volgde de rechtbank en benadrukte dat de wetgever met de fictieve opzegtermijn beoogde verschillen in WW-rechten door beëindigingswijze te neutraliseren. De vergoeding wordt daarom als gelijkgestelde inkomsten beschouwd, waardoor het recht op WW-uitkering tijdelijk vervalt. De door de kantonrechter gebruikte bewoordingen doen hieraan niet af. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering gedurende de fictieve opzegtermijn vanwege de toegekende vergoeding die als gelijkgestelde inkomsten wordt aangemerkt.