ECLI:NL:CRVB:2009:BH6365

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1732 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 derde lid WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WW-uitkering door vergoeding bij ontbinding arbeidsovereenkomst

Appellant was werkzaam bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 januari 2007. Bij de ontbinding werd een bruto vergoeding van €20.000 toegekend, aangeduid als gekapitaliseerde suppletie op de uitkering of lager salaris elders. Appellant vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, maar het UWV wees dit af vanwege de vergoeding en de fictieve opzegtermijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de vergoeding moet worden aangemerkt als inkomsten gelijkgesteld met loondoorbetaling volgens artikel 16, derde lid, van de WW. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het bedrag bedoeld was als compensatie voor inkomensverlies en dat er weinig overbleef na kosten en belastingen.

De Raad volgde de rechtbank en benadrukte dat de wetgever met de fictieve opzegtermijn beoogde verschillen in WW-rechten door beëindigingswijze te neutraliseren. De vergoeding wordt daarom als gelijkgestelde inkomsten beschouwd, waardoor het recht op WW-uitkering tijdelijk vervalt. De door de kantonrechter gebruikte bewoordingen doen hieraan niet af. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering gedurende de fictieve opzegtermijn vanwege de toegekende vergoeding die als gelijkgestelde inkomsten wordt aangemerkt.

Uitspraak

08/1732 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 februari 2008, 07/1135 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant was werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: werkgever). Bij beschikking van 30 november 2006 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever ontbonden met ingang van 1 januari 2007. Daarbij is aan appellant een bedrag toegekend van € 20.000,- bruto volgens de bewoordingen van de ontbindingsbeschikking als gekapitaliseerde suppletie op de aan appellant toekomende uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten of lager salaris elders.
2.2. Appellant heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 12 januari 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij tot en met 28 februari 2007 geen recht heeft op een WW-uitkering, in verband met de ter zake van de ontbinding toegewezen vergoeding en de zogenoemde fictieve opzegtermijn. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het bestreden besluit van 6 februari 2007 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gekapitaliseerde vergoeding inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking betreft en dat deze inkomsten op grond van artikel 16, derde lid, van de WW tot 1 maart 2007 dienen te worden gelijkgesteld met het recht op onverminderde loondoorbetaling.
4. In hoger beroep voert appellant aan dat het toegekende bedrag blijkens de bewoordingen van de ontbindingsbeschikking bedoeld was als compensatie voor het verlies van inkomsten en dat van dit bedrag door de fictieve opzegtermijn, belastingen en advocaatkosten weinig overblijft.
5. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.
5.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. De Raad voegt daaraan nog toe dat de wetgever met de regeling van de fictieve opzegtermijn heeft beoogd de verschillende gevolgen voor de aanspraak op een WW-uitkering, die uitsluitend werd veroorzaakt door de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking, te ecarteren en dat het ook met deze strekking in overeenstemming is om de toegekende vergoeding aan te merken als gelijkgestelde inkomsten als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW. Dat appellant mede door het in aanmerking nemen van een fictieve opzegtermijn slechts een gering bedrag heeft overgehouden om de financiële gevolgen van zijn ontslag te ondervangen is juist, maar deze consequentie vloeit rechtstreeks uit de wet voort en is door de wetgever ook beoogd. De door de kantonrechter gebruikte bewoordingen kunnen daar niet aan afdoen.
5.2. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
BvW