ECLI:NL:CRVB:2009:BH6399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding proceskosten na toekenning WW-uitkering
Appellante had op 30 november 2004 een WW-uitkering aangevraagd en na het aanwenden van diverse rechtsmiddelen werd haar bij besluit van 5 juli 2006 alsnog een WW-uitkering toegekend met terugwerkende kracht per 1 december 2004.
Zij verzocht het Uwv om vergoeding van de volledige proceskosten, wettelijke rente over de te laat betaalde uitkering en fiscale schade. Het Uwv wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten boven een reeds vergoed bedrag van € 322,- af. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, omdat geen sprake was van een uitzonderlijk, schrijnend geval volgens artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
In hoger beroep stelde appellante dat zij gedurende een periode zonder inkomsten zat en bijzondere inspanningen moest leveren om de uitkering alsnog toegekend te krijgen. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg zijn om af te wijken van het Bpb. Ook was er geen aanleiding tot proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van proceskosten boven het reeds vergoede bedrag omdat geen uitzonderlijk schrijnend geval is aangetoond.