ECLI:NL:CRVB:2009:BH7073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAZ-uitkering wegens duurzame verdiencapaciteit
Appellante, voormalig zelfstandige in een fotostudio, ontving sinds 1997 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Vanaf 2000 had zij echter inkomsten uit haar onderneming, waarop het UWV haar uitkering met toepassing van artikel 58 WAZ Pro heeft verminderd. Na drie jaar anticumulatie besloot het UWV per 1 januari 2003 de uitkering in te trekken omdat appellante met haar krachten en bekwaamheden arbeid kon verrichten.
Appellante voerde aan dat zij zich grotendeels had teruggetrokken uit de onderneming en dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat zij relevante arbeid verrichtte. Ook stelde zij dat het claimen van de fiscale oudedagsreserve een zuiver fiscale aangelegenheid was en dat het UWV te laat tot terugvordering was overgegaan, wat in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad sloot zich aan bij de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering per 1 januari 2003 had ingetrokken en de onverschuldigde betalingen over 2003-2005 mocht terugvorderen. De financiële gegevens en fiscale keuzes van appellante werden als uitgangspunt genomen en de Raad vond geen strijd met rechtszekerheid. Ook zag de Raad geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering per 1 januari 2003 en de terugvordering van onverschuldigde betalingen over 2003-2005 worden bevestigd.