ECLI:NL:CRVB:2009:BH7254

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-189 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtWerkloosheidswet (WW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WW-uitkering en geen recht op vervolguitkering na ontslag

Appellante was sinds 1974 in dienst bij haar werkgever en werd ontslagen nadat de locatie waar zij werkte werd gesloten. Haar WW-uitkering werd toegekend vanaf 1 april 2004, maar het UWV beëindigde deze per 1 april 2007. Appellante stelde dat zij recht had op een vervolguitkering op grond van overgangsrecht, omdat de ontslagaanzegging volgens haar vóór 11 augustus 2003 had plaatsgevonden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de opzegging na 11 augustus 2003 was aangezegd, wat door de Raad werd bevestigd. De Raad overwoog dat de ontslagvergunning op 28 augustus 2003 werd verleend en de opzegging op 2 september 2003 schriftelijk werd bevestigd. Het eerdere bericht over sluiting van de locatie en de zoektermijn in het Sociaal Plan veranderden hier niets aan.

Appellante verwees naar eerdere jurisprudentie en stelde strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, maar de Raad verwierp deze argumenten en bevestigde de eerdere uitspraak. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door rechter H.G. Rottier op 25 februari 2009.

Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd en er bestaat geen recht op een vervolguitkering omdat de opzegging na 11 augustus 2003 plaatsvond.

Uitspraak

08/189 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 november 2007, 07/3243 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellante is bij die gelegenheid vertegenwoordigd door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellante was sinds 1 februari 1974 in dienst van [naam werkgever], laatstelijk als medewerkster orderdesk. Op 30 oktober 2001 heeft de werkgever bij brief kenbaar gemaakt dat het voornemen bestaat om de locatie [naam locatie], waar appellante werkzaam was, te sluiten. Daarmee zou de arbeidsplaats van appellante komen te vervallen. Bij brief van 1 juli 2003 heeft de werkgever appellante laten weten dat de daaraan voorafgaande vrijdag haar laatste werkdag was. Op 28 augustus 2003 is aan de werkgever een ontslagvergunning verleend, waarna door de werkgever op 2 september 2003 onder gebruikmaking van die vergunning aan appellante ontslag is aangezegd. Het loon van appellante is doorbetaald tot 31 maart 2004.
2.2. Appellante heeft een WW-uitkering aangevraagd welke haar is toegekend per 1 april 2004. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het Uwv de WW-uitkering beëindigd per 1 april 2007. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en daarbij gesteld dat zij in aanmerking komt voor een vervolguitkering omdat op haar het overgangsrecht uit artikel 130h van de WW van toepassing is. Bij het thans bestreden besluit van 12 juli 2007 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Met het Uwv was de rechtbank van oordeel dat de aanzegging van de opzegging had plaatsgevonden na 11 augustus 2003.
4. In hoger beroep heeft appellante gesteld dat het ontslag al voor 11 augustus 2003 was aangezegd. Appellante verwijst daarvoor naar de brieven van de werkgever uit 2001. Ook wijst appellante op de zogenoemde zoektermijn uit het voor haar geldende Sociaal Plan die op 1 juli 2003 van kracht is geworden. Voorts heeft appellante gesteld dat er sprake is van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 13 september 2006 (LJN AZ1176) dient onder de aanzegging van de opzegging te worden verstaan de rechtshandeling waarbij de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer opzegt. Met het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel dat die opzegging in het geval van appellante heeft plaatsgevonden na 11 augustus 2003. De ontslagvergunning is immers op 28 augustus 2003 verleend en de opzegging heeft plaatsgevonden bij brief van de werkgever van 2 september 2003. Dat vaststond dat de vestiging [naam locatie] zou sluiten, dat de werkgever reeds veel eerder bekend had gemaakt dat de arbeidsplaats van appellante zou worden opgeheven en dat appellante in het kader van het Sociaal Plan een zoektermijn was gegund, maakt dat niet anders.
5.2. Ter zitting is door appellante ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 31 juli 2007 (LJN BB1609). De Raad is echter van oordeel dat de omstandigheden in die uitspraak niet overeenkomen met die van appellante nu, anders dan in de genoemde uitspraak, op 11 augustus 2003 nog (steeds) geen definitieve einddatum van de arbeidsovereenkomst was overeengekomen of vastgesteld.
5.3. Wat betreft de stellingen van appellante aangaande de strijdigheid van de afschaffing van de vervolguitkering met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn uitspraak van 11 september 2007 (LJN BB3760) waarin de Raad heeft geoordeeld dat van een dergelijke strijd geen sprake is.
6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
BvW