ECLI:NL:CRVB:2009:BH7280
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond tegen afwijzing verzoek voorlopige voorziening in WIA-zaken
Appellante had een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een primair besluit van het UWV, dat door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam was afgewezen. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk vanwege het appelverbod zoals neergelegd in artikel 8:84, tweede lid, van de Awb.
Tegen deze beslissing werd verzet ingesteld met het argument dat sprake was van schending van het recht op hoor en wederhoor, omdat appellante wegens een acuut medisch probleem niet bij de zitting kon verschijnen en zij meende dat zij het verweerschrift zou ontvangen. Het UWV had echter geen verweerschrift ingediend maar mondeling zijn standpunt toegelicht, waardoor appellante zich niet adequaat kon verweren.
De Raad oordeelde dat deze omstandigheden geen grond vormen om het appelverbod te doorbreken, mede omdat het ging om een voorlopige voorziening en niet om een beslissing in de hoofdzaak. Bovendien kan appellante tegen het besluit op bezwaar beroep instellen en een nieuw verzoek om voorlopige voorziening doen.
Ten slotte merkte de Raad op dat hij zich bij de eerdere uitspraak onbevoegd had moeten verklaren, maar dit leidt niet tot gegrondverklaring van het verzet. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard zonder kostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het appelverbod blijft van toepassing.