ECLI:NL:CRVB:2009:BH7297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering na ziekmelding buiten vijfjaarstermijn niet op grond van art. 39a WAO
Appellante, sinds 1991 arbeidsongeschikt verklaard met een WAO-uitkering van 15-25%, meldde zich in augustus 2004 ziek vanwege toegenomen klachten. Het UWV beoordeelde haar arbeidsongeschiktheid per 23 september 2004 op grond van artikel 39a WAO, dat een wachttijd van vier weken voorschrijft bij toename binnen vijf jaar na toekenning of herziening.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat. De Raad onderzocht of het UWV terecht artikel 39a toepaste. Gezien de oorspronkelijke toekenning in 1991, meer dan vijf jaar voor de ziekmelding, was toepassing van artikel 39a onjuist.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand waren gelaten en bepaalde dat het UWV een nieuwe beoordeling moet uitvoeren met een wachttijd van 104 weken. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het UWV dient de WAO-uitkering van appellante opnieuw te beoordelen met een wachttijd van 104 weken, omdat artikel 39a WAO onterecht werd toegepast.