ECLI:NL:CRVB:2009:BH7526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-538 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffersArt. 19, eerste lid, onder d, Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffersArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Volledige mindering van brutolijfrente op periodieke uitkering volgens Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Appellant, geboren in 1936 en als vervolgingsslachtoffer erkend, ontving een periodieke uitkering op basis van zijn vroegere inkomen. In 2007 werd deze uitkering aangepast vanwege een maandelijkse lijfrente-uitkering die appellant ontving uit een eenmalige kapitaalstorting van een ontslaguitkering.

Verweerster bracht het volledige brutobedrag van deze lijfrente in mindering op de periodieke uitkering, wat appellant betwistte. Hij stelde dat slechts een gedeeltelijke mindering terecht was, verwijzend naar een andere gehanteerde systematiek waarbij alleen de inlegperiode voor de toekenning van de uitkering in aanmerking wordt genomen.

De Raad oordeelde dat appellant een eenmalige kapitaalstorting had gedaan vóór de toekenning van de periodieke uitkering en dat de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers onverkort voorschrijft dat alle lijfrente-uitkeringen als overige inkomsten volledig in mindering worden gebracht. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en informatie uit het bulletin "Aanspraak" werd verworpen omdat deze niet op zijn specifieke situatie waren toegespitst.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 maart 2009.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de volledige brutolijfrente wordt in mindering gebracht op de periodieke uitkering.

Uitspraak

08/538 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 12 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 13 december 2007, kenmerk BZ 47416, JZ/V80/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Aldaar is appellant in persoon verschenen met bijstand van mr. A.H. Punt-Koopmans, advocaat te Leeuwarden. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1936, is door verweerster bij besluit van 27 december 1993 met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijkgesteld. Aan hem is ingaande 1 december 1992 een periodieke uitkering toegekend, berekend naar het inkomen dat hij ten tijde van zijn aanvraag uit het beroep van copywriter bij een reclamebureau zou hebben genoten.
1.1. Bij berekeningsbeslissing van 30 september 2007 heeft verweerster de aan appellant toekomende periodieke uitkering nader vastgesteld in verband met de omstandigheid dat aan appellant maandelijks een lijfrente wordt uitbetaald. Verweerster heeft daarbij het volledige brutobedrag van de lijfrente op de aan appellant toekomende periodieke uitkering in mindering gebracht. Een door appellant tegen deze berekeningsbeslissing gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Appellant kan zich in beroep als in bezwaar niet verenigen met het feit dat verweerster de aan hem toekomende brutolijfrente volledig in mindering brengt op zijn periodieke uitkering. Hij heeft zich in dit verband onder meer beroepen op het vertrouwen dat hij mocht ontlenen aan een in “Aanspraak” over de korting van lijfrenten verschenen artikel alsmede op namens verweerster verstrekte informatie.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in augustus 1992 een aan hem in verband met de ontbinding van zijn laatste arbeidsovereenkomst toekomende ontslaguitkering van fl. 75.000,- geheel heeft doen onderbrengen in een lijfrenteverzekering afgesloten bij levensverzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden N.V. Ingaande 1 augustus 2007 is deze lijfrente tot uitbetaling gekomen in de vorm van maandelijkse uitbetalingen. Naar de Raad reeds meerdere malen heeft uitgesproken dienen uitkeringen uit lijfrente als overige inkomsten op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet op de periodieke uitkering in mindering te worden gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster de onderhavige korting dan ook terecht toegepast, nu de Wet dat haar imperatief en zonder uitzondering te maken voorschrijft.
3.2. Appellant is van oordeel dat de onderhavige lijfrente slechts gedeeltelijk op zijn periodieke uitkering in mindering had moeten worden gebracht en heeft in dit verband gewezen op de door verweerster vanaf 2002 gehanteerde werkwijze bij het korten van lijfrente-uitkeringen, die er op neer komt dat er toerekening van de lijfrente plaatsvindt naar de maandelijkse premiebetalingen die zijn gedaan over een periode voor en na de toekenning van de periodieke uitkering op grond van de Wet en dat de periodieke uitkering wordt gekort met hetgeen wordt toegerekend aan de inlegperiode voor de periodieke uitkering.
3.2.1. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster op goede gronden geoordeeld dat deze situatie zich in het geval van appellant niet voordoet. In zijn geval immers is sprake van een eenmalige kapitaalstorting die heeft plaatsgevonden voordat de periodieke uitkering is toegekend en niet van een langdurige periode van inleg, die is begonnen vóór toekenning van de periodieke uitkering ingevolge de Wet en ook nadien nog is doorgelopen.
3.2.2. Namens appellant is nog naar voren gebracht dat verweerster bij de berekening van het maandelijks op de periodieke uitkering te korten bedrag de waardevermeerdering van de éénmalige inleg van fl. 75.000,- buiten beschouwing had dienen te laten. Deze stelling kan de Raad niet volgen. Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet is, naar het oordeel van de Raad, bepalend welk brutobedrag maandelijks aan inkomsten wordt gegenereerd. De omvang en eventuele waardevermindering of -vermeerdering van de oorspronkelijke inleg acht de Raad hierbij niet doorslaggevend.
3.3. Appellant heeft zich ten slotte beroepen op het vertrouwensbeginsel en daarbij onder meer gewezen naar een nummer van het informatie bulletin “Aanspraak” dat periodiek wordt uitgegeven door de Pensioen- en Uitkeringsraad en waarin aan deze kortingsproblematiek aandacht is besteed en voorts op een e-mailcorrespondentie naar aanleiding van een door een kennis van appellant aan verweerster gestelde vraag. Naar het oordeel van de Raad kan appellant noch aan het door hem genoemde nummer van “Aanspraak” noch aan de door hem genoemde correspondentie het vertrouwen ontlenen dat in zijn geval niet tot integrale korting van zijn lijfrente-uitkeringen zou worden overgegaan, reeds omdat hier geen sprake is van op de specifieke casus van appellant toegespitste informatie.
3.4. Hoewel de Raad zich de teleurstelling van appellant kan voorstellen laten de dwingende kortingsregels van artikel 19 van Pro de Wet aan verweerster geen vrijheid om anders te handelen dan zij in het onderhavige geval heeft gedaan. Het beroep van appellant moet dan ook ongegrond worden verklaard.
4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD