Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BH7633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5257 WAO-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring van verzet wegens overschrijding termijn betaling griffierecht

De appellant heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin het hoger beroep niet-ontvankelijk was verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Het verzetschrift werd echter pas ruim na de uiterste termijn ingediend, wat door appellant ook werd erkend.

Appellant gaf aan dat hij niet op de hoogte was van de niet-ontvankelijkverklaring omdat hij de uitspraak niet had ontvangen en dat de betaling van het griffierecht was vergeten door de administratie van zijn gemachtigde. De Raad overwoog dat fouten of nalatigheden van de gemachtigde in beginsel aan de appellant worden toegerekend, ook bij ernstige nalatigheden.

Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De Raad merkte op dat zelfs bij inhoudelijke beoordeling het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Appellant werd gewezen op mogelijkheden tot civielrechtelijke of tuchtrechtelijke procedures tegen de gemachtigde. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzetschrift.

Uitspraak

07/5257 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2007, 06/4830, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 26 februari 2008 heeft de Raad het namens appellant door mr. A. Bosveld, advocaat te Rotterdam, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 26 februari 2008 heeft appellant verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2009. Appellant is verschenen. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 26 februari 2008 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De uitspraak van de Raad van 26 februari 2008 is op - eveneens - 26 februari 2008 bij aangetekende brief aan mr. Bosveld verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift aanving op 27 februari 2008 en eindigde op 8 april 2008. Het verzetschrift van appellant is op 18 september 2008 ter griffie van de Raad ingekomen. Dit betekent dat de termijn is overschreden, hetgeen appellant ter zitting ook heeft erkend.
In verzet heeft appellant aangevoerd dat hij begin september 2008 bij mr. Bosveld heeft geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Hij kreeg toen de mededeling dat er nog geen zittingsdatum bekend was. Naar aanleiding hiervan heeft appellant telefonisch informatie ingewonnen bij de griffie van de Raad. Toen is hem medegedeeld dat het hoger beroep inmiddels niet-ontvankelijk was verklaard wegens het niet betalen van het verschuldigde griffierecht. Vervolgens heeft appellant verzet gedaan. De uitspraak van de Raad van 26 februari 2008 heeft appellant nooit van mr. Bosveld ontvangen. Uit nader door appellant bij mr. Bosveld ingewonnen informatie is hem verder gebleken dat door de administratie van diens kantoor vergeten is (tijdig) het verschuldigde griffierecht te betalen.
De Raad overweegt dat, zoals hij ter zitting reeds aan appellant heeft kenbaar gemaakt, volgens vaste rechtspraak fouten of nalatigheden van een gemachtigde in beginsel worden toegerekend aan degene die de gemachtigde heeft gevraagd zijn of haar belangen te behartigen. Dat is niet anders in een geval waarin - kennelijk - sprake is van ernstige nalatigheden.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens, niet verschoonbare, overschrijding van de termijn voor het indienen van een verzetschrift.
Ten overvloede overweegt de Raad dat, indien hij wel zou kunnen toekomen aan een beoordeling van de vraag of bij de uitspraak van de Raad van 26 februari 2008 het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, die vraag op dezelfde gronden bevestigend zou moeten worden beantwoord.
Ter zitting heeft appellant overigens kenbaar gemaakt bekend te zijn met de mogelijkheden om terzake civielrechtelijke en/of tuchtrechtelijke procedures in gang te zetten.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2009.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) M.B. de Gooijer.
BvW