ECLI:NL:CRVB:2009:BH7715

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4604 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WWBArt. 58 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant en zijn echtgenote exploiteerden een vervoersbedrijf dat failliet ging, waarna de bedrijfsactiviteiten werden voortgezet door hun zoon onder een nieuwe naam. Appellant ontving vanaf juni 2004 een aanvullende bijstandsuitkering. Naar aanleiding van vermoedens dat appellant en zijn echtgenote werkzaamheden verrichtten, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Hieruit bleek dat de echtgenote sinds januari 2005 als algemeen directeur bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven en dat appellant gebruik maakte van zakelijke auto's van het vervoersbedrijf.

Appellant had dit niet gemeld aan het College van burgemeester en wethouders van Rijswijk, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College trok daarom de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelt dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een geldige grond is voor intrekking van bijstand indien het recht daarop niet kan worden vastgesteld. Het College handelde binnen zijn bevoegdheid en het beleid is niet onredelijk. Appellant heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij bij correcte melding recht op bijstand zou hebben gehad. De intrekking en terugvordering zijn daarom terecht.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering van kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

07/4604 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juni 2007, 06/3075 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.M. Bonsen-Lemmers, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 07/4605 WWB en 07/4606 WWB, plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bonsen-Lemmers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Rijswijk. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote] (hierna: [echtgenote]), hebben voorheen een vervoersbedrijf geëxploiteerd. Dit bedrijf is op 10 december 2003 failliet verklaard.
De bedrijfsactiviteiten zijn voortgezet door de zoon van appellant en [echtgenote] onder de naam [naam vervoersbedrijf 1] en [naam vervoersbedrijf 2] (hierna: [vervoersbedrijf]). Met ingang van 22 juni 2004 is aan appellant een aanvullende bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant en [echtgenote] werkzaamheden verrichten is door de sociale recherche Leidschendam-Voorburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Daarbij is onder meer informatie ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer en de Kamer van Koophandel, en zijn appellant en [echtgenote] verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 juni 2005.
1.2. Bij besluit van 2 december 2005 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 19 januari 2005 ingetrokken en voorts per 1 december 2005 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 9 december 2005 zijn van appellant en [echtgenote] de kosten van bijstand over de periode van 19 januari 2005 tot en met 30 november 2005 teruggevorderd tot een bedrag van € 3.066,89. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van de inschrijving per 19 januari 2005 van [echtgenote] bij de Kamer van Koophandel als algemeen directeur van [vervoersbedrijf] en van het zakelijk gebruik van auto’s van dit bedrijf door appellant met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
1.3. Bij besluit van 6 maart 2006 zijn de tegen de besluiten van 2 en 9 december 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Naar vaste rechtspraak is het niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op (aanvullende) bijstand heeft.
4.2. Uit de stukken blijkt dat [echtgenote] sedert 19 januari 2005 bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven als algemeen directeur van [vervoersbedrijf]. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat dit een, voor de toepassing van de WWB, relevant gegeven is, aangezien een dergelijke inschrijving een bepaalde waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigt. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat in dit geval zonder deze inschrijving (voortzetting van) de exploitatie van het vervoersbedrijf [vervoersbedrijf] niet mogelijk was geweest. De zoon van appellant beschikte immers ten tijde in geding niet over de vereiste papieren voor de uitoefening van het bedrijf. Daarnaast kan uit de door appellant tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring worden afgeleid dat hij mede ten behoeve van de bedrijfsuitvoering zo nu en dan hand- en spandiensten verrichtte. Door van de betrokkenheid van zowel [echtgenote] als appellant bij [vervoersbedrijf] geen melding te maken bij het College heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde in geding niet is vast te stellen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van appellant niet met objectieve gegevens aannemelijk is gemaakt dat hij bij correcte melding van een en ander niettemin recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.
Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode in geding in te trekken. Naar het oordeel van de Raad heeft het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten tot intrekking.
4.3. Met hetgeen onder 4.2 is overwogen is tevens gegeven dat het College ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de kosten van bijstand over de periode van 19 januari 2005 tot en met 30 november 2005 terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad (al eerder bij uitspraak van 7 augustus 2007, LJN BB1384) niet onredelijk geachte, beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moet afwijken.
4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Th.C. van Sloten en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) J. Waasdorp.
RB