ECLI:NL:CRVB:2009:BH7774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R. Kruisdijk
- F.P. Dresselhuys-Doeleman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over niet-geschiktheid voor maatgevende functie bij WAO-uitkering
Appellante was werkzaam als medewerkster huishoudelijke dienst en meldde zich ziek wegens elleboog-, nek- en schouderklachten. Na onderzoek concludeerde het UWV dat zij haar eigen werkzaamheden niet volledig kon verrichten, maar wel andere functies kon uitvoeren zonder relevant inkomensverlies. De WAO-uitkering werd toegekend en later ingetrokken, waarna diverse procedures volgden.
De rechtbank Middelburg vernietigde het eerdere besluit van het UWV wegens onvoldoende bewijs dat appellante de wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid had vervuld. Het UWV verrichtte daarop een diepgaander onderzoek, waarbij gesprekken met werkgever en bedrijfsarts plaatsvonden. Dit onderzoek bevestigde dat appellante niet in staat was haar oorspronkelijke zware taken uit te voeren en hulp kreeg van een collega.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet alleen op de verklaring van de werkgever was afgegaan, maar een zelfstandig en zorgvuldig oordeel had gevormd. De Raad vond de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts betrouwbaar en concludeerde dat appellante gedurende de wachttijd niet volledig geschikt was voor haar functie. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet volledig geschikt was voor haar functie gedurende de wachttijd en dat het UWV terecht de WAO-uitkering heeft toegekend vanaf 2 oktober 2002.