ECLI:NL:CRVB:2009:BH9289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en veroordeling UWV in proceskosten wegens gedeeltelijke tegemoetkoming
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad. Vervolgens trok zij het hoger beroep in omdat het UWV gedeeltelijk aan haar bezwaren tegemoet was gekomen. De Raad stelde vast dat op grond van artikel 8:75a Awb in samenhang met artikel 21 Beroepswet Pro het bestuursorgaan bij intrekking van het beroep wegens gedeeltelijke tegemoetkoming kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Het UWV maakte geen gebruik van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen. Met toestemming van partijen werd het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. De Raad achtte de voorwaarden aanwezig om het UWV te veroordelen in de proceskosten van appellante wegens verleende rechtsbijstand.
De proceskosten werden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, in totaal € 1.288,--. De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV tot betaling van dit bedrag aan appellante. De uitspraak werd gedaan door B.M. van Dun, in aanwezigheid van griffier P.N. Rijnsewijn, op 25 maart 2009.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 1.288,-- aan proceskosten aan appellante wegens gedeeltelijke tegemoetkoming.