ECLI:NL:CRVB:2009:BH9297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6770 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering te veel betaalde uitkering Wet vervolgingsslachtoffers

Appellante, weduwe van een vervolgingsslachtoffer, ontving vanaf 1 januari 2003 een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. In een berekeningsbeslissing van 31 december 2006 werd de uitkering over 2004 definitief vastgesteld en een bedrag van €1.485,65 teruggevorderd wegens te veel betaalde uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd deels gegrond verklaard voor een bedrag van €1.066,07, dat niet meer werd teruggevorderd vanwege late verwerking van door haar verstrekte gegevens. Het overige bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad overwoog dat het resterende bedrag van €419,58 betrekking had op een te veel betaalde uitkering over 2003, welke al definitief was vastgesteld bij besluit van 30 november 2004 en waarover reeds terugvordering had plaatsgevonden. Daarom kon hierover bij de berekeningsbeslissing van 31 december 2006 geen nieuw besluit worden genomen, en was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Gezien deze feiten verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep van appellante ongegrond. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de terugvordering van te veel betaalde uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/6770 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats], Australië (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 19 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 17 augustus 2007, onderwerp BZ47006, JZ/C80/2007 ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2009. Appellante is niet verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan appellante, geboren in 1936, is met ingang van 1 januari 2003 een periodieke uitkering toegekend op grond van de Wet als weduwe van de op 11 oktober 2002 overleden vervolgde [naam vervolgde].
1.2. Bij berekeningsbeslissing van 31 december 2006, nader toegelicht bij bericht van verweerster van 15 januari 2007, is de uitkering over 2004 definitief gesteld en is wegens te veel betaalde uitkering een bedrag van € 1.485,65 van appellante teruggevorderd. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover dit was gericht tegen de terugvordering van het over 2004 te veel betaalde, zijnde een bedrag van € 1.066,07. Dit bedrag werd niet meer teruggevorderd in verband met te late verwerking van door appellante verstrekte gegevens. Het bezwaar werd voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
2. Naar aanleiding van de door appellante in beroep tegen dit besluit aangevoerde grieven overweegt de Raad dat het nog resterende deel van het teruggevorderde bedrag ten bedrage van € 419,58 een nog resterend te veel betaald bedrag over 2003 betreft. De uitkering over 2003 was al bij besluit van 30 november 2004 definitief gesteld en het over dat jaar te veel betaalde was al teruggevorderd, zodat hierover bij de berekeningsbeslissing van 31 december 2006 geen nieuw besluit is genomen. Het bezwaar van appellante is dan ook in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD