Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9336

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4346 WW + 08-4347 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:73a AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en veroordeling UWV in proceskosten

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank, maar heeft deze beroepen ingetrokken nadat het UWV geheel aan haar verzoek is tegemoetgekomen. De Raad overweegt dat het intrekken van het hoger beroep gerechtvaardigd is en dat het UWV op verzoek van appellante kan worden veroordeeld in de proceskosten die redelijkerwijs zijn gemaakt voor de behandeling van het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat het UWV reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, waardoor de vergoeding in hoger beroep beperkt blijft tot de kosten van het hoger beroep zelf. De proceskosten worden begroot op € 644,--.

De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van dit bedrag aan appellante. Het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten met instemming van partijen, en de uitspraak is in het openbaar gedaan op 25 maart 2009.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 644 aan proceskosten aan appellante wegens intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

08/4346 WW
08/4347 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met de artikelen 8:73a en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de hoger beroepen van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen de uitspraken van de rechtbank van ’s-Gravenhage van 18 juni 2008, 07/7357 en 07/3971 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 25 maart 2009.
I. PROCESVERLOOP
Mr. M. Hoekman, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.
Bij brief van 23 september 2008 heeft de gemachtigde van appellante de hoger beroepen ingetrokken en tevens verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van
artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat appellante de hoger beroepen heeft ingetrokken omdat het Uwv geheel aan haar is tegemoetgekomen en dat namens appellante een verzoek om veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante is gedaan.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van de hoger beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,-- in hoger beroep. De vergoeding van de proceskosten is beperkt tot de kosten van het hoger beroep nu het Uwv blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.
(get.) B.M. van Dun.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
BvW