ECLI:NL:CRVB:2009:BH9967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens termijnoverschrijding
Appellant, laatst werkzaam als tuinbouwmedewerker, meldde zich ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie. Het UWV stelde bij brief van 4 mei 2007 vast dat appellant vanaf 11 mei 2007 geschikt was voor arbeid en beëindigde de Ziektewetuitkering. Appellant diende op 31 mei 2007 bezwaar in tegen dit besluit.
Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijke termijn van twee weken was ingediend. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de brief van 4 mei 2007 een besluit in de zin van de Awb was, terwijl de brief van 24 mei 2007 slechts een herhaling betrof zonder zelfstandig rechtsgevolg.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onduidelijk was of de bedrijfsarts bevoegd was en dat de bezwaarclausule onvoldoende duidelijk was. De Raad overwoog dat de brief van 4 mei 2007 wel degelijk een besluit is en dat appellant geen gegronde reden had voor het late bezwaar. Daarom kon niet worden ingegaan op eventuele gebreken van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.