ECLI:NL:CRVB:2009:BI0055

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6192 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks medische behandeling

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van 30 juli 2006. De rechtbank Zutphen vernietigde dit besluit wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen door schouderklachten werden onderschat en dat er onvoldoende onderzoek naar haar psychische toestand was gedaan.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de bezwaren van appellante voldoende had gemotiveerd en dat de medische en arbeidskundige grondslagen toereikend waren. De brief van de orthopeed over de situatie in augustus 2007 was niet relevant voor de situatie op de peildatum 30 juli 2006. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde dat passende beperkingen waren vastgesteld en dat verdere behandeling geen aanleiding gaf tot het vaststellen van zwaardere beperkingen.

Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarmee het hoger beroep had kunnen worden geschorst of aangehouden.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

Uitspraak

07/6192 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 1 oktober 2007, 07/54 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2009.
Namens appellante is verschenen mr. Van Engelen. Het Uwv was vertegenwoordigd door B. de Weijer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 1 december 2006 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 juli 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
1.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het besluit van 1 december 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en besluiten genomen over griffierecht en proceskosten.De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 1 december 2006 op een juiste medische grondslag, maar niet op een juiste arbeidskundige grondslag berust, dit laatste omdat niet op voldoende wijze is toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is in de beroepsfase alsnog een deugdelijke toelichting verstrekt. De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
2. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar schouderklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen bij het verrichten van arbeid zijn onderschat, dat de rechtbank ten onrechte geen deskundigenonderzoek naar haar psychische toestand heeft gelast, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet meer toepassen van een urenbeperking voldoende is gemotiveerd en dat de rechtbank de in beroep aangevoerde bezwaren van arbeidskundige aard ten onrechte heeft verworpen.
3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde gronden van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
3.2. De door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de orthopeed J. Frejlach van 3 oktober 2007 leidt niet tot een ander oordeel. De brief van Frejlach ziet naar hierin is vermeld op de situatie in augustus 2007 en mitsdien niet op de situatie ten tijde in geding (30 juli 2006). De Raad kan zich geheel vinden in de naar aanleiding van de brief van Frejlach door de bezwaarverzekeringsarts op 13 februari 2008 opgestelde rapportage. Terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts erop gewezen dat de door Frejlach beschreven klachten bekend waren bij de primaire verzekeringsarts en dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst passende beperkingen zijn aangegeven, met name op het gezichtspunt boven schouderhoogte actief zijn. Dat appellante voor haar gezondheidsklachten nog een verdere behandeling zal ondergaan, is geen reden tot het vaststellen van verdergaande beperkingen op de datum in geding, aldus de bezwaarverzekeringsarts.
3.3. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
JL