ECLI:NL:CRVB:2009:BI0075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid
Appellant ontving vanaf 19 september 2000 een WAO-uitkering, die later werd herzien. Het UWV stelde op basis van een fraudeonderzoek vast dat appellant in de periode 2000-2003 werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot die niet waren gemeld. Hierdoor werd de uitkering geschorst en later ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat getuigenverklaringen niet synchroon liepen en dat hij inzicht had gegeven in de financiële verhoudingen binnen de bedrijven. Tevens stelde hij dat de schatting per 1 april 2003 niet aan intrekking ten grondslag kon liggen en dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant werkzaamheden had verricht en inkomsten had genoten zonder melding. De Raad oordeelde dat de schatting die aan de intrekking per 1 april 2003 ten grondslag moest liggen ontbrak, waardoor dat deel van het besluit vernietigd werd. Toch bleven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand vanwege medisch en arbeidskundig onderzoek dat aangaf dat appellant passende arbeid kon verrichten.
De terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering werd bevestigd, omdat geen dringende redenen waren om daarvan af te zien. Psychische klachten, ziekte van zijn kind en afhankelijkheid van een bijstandsuitkering werden niet als onaanvaardbare gevolgen gezien. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 1 april 2003 wordt vernietigd, maar de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering wordt bevestigd.