ECLI:NL:CRVB:2009:BI0093

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3388 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 19 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling

Appellant meldde zich ziek voor werkzaamheden als schoonmaker en nam later een andere baan aan via een uitzendbureau, waar hij zich opnieuw ziek meldde wegens pijn in het linker bovenbeen. Het UWV besloot op 21 november 2006 dat appellant geen recht meer had op ziekengeld omdat hij geschikt was voor zijn werk. Dit besluit werd na bezwaar gehandhaafd.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het UWV volgens hem was uitgegaan van een juiste werkomschrijving en het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV een onjuiste werkomschrijving gebruikte en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, verwijzend naar een brief van een orthopedisch chirurg.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht was uitgegaan van een juiste werkomschrijving gebaseerd op informatie van het uitzendbureau en de werkgever. De medische rapportages van de bezwaarverzekeringsartsen waren overtuigend en zorgvuldig, en er waren geen nieuwe medische gegevens die het standpunt van het UWV konden weerleggen.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. De Raad bevestigde het besluit dat appellant vanaf 20 november 2006 geen recht meer had op ziekengeld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.

Uitspraak

07/3388 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te Venlo (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 3 mei 2007, 07/491 en 07/492 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Lina, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 18 april 2007 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2009. Namens appellant is verschenen mr. S.B.M.A. van Engelen, kantoorgenoot van mr. Lina. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.
II OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 17 augustus 2006 ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als schoonmaker, in dienst van het bedrijf [naam werkgever A]. Op 4 september 2006 heeft appellant via Uitzendbureau [naam uitzendbureau] werk aanvaard bij [naam werkgever B] op de inbound-afdeling, waar hij vrachtwagens moest uitladen en goederen sorteren. Op 13 september 2006 heeft appellant zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld wegens pijn vanuit het linker bovenbeen.
1.2. Na een onderzoek op 2 november 2006 door de verzekeringsarts B. van den Bogart, heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2006 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 20 november 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 5 maart 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2006, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen van 8 februari 2007 en J.L. Waasdorp van 28 februari 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens van eveneens 28 februari 2007, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank met toepassing van artikel 8:81 in Pro verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak en daarbij het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen grond te zien om aan te nemen dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste werkomschrijving voor de beoordeling van de geschiktheid van appellant tot werken, nu het Uwv zich bij de voorbereiding van het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft gebaseerd op inlichtingen van de zijde van het uitzendbureau en de werkgever. Voorts heeft de rechtbank in de door appellant verstrekte informatie van de behandelend sector geen aanleiding gezien om de medische conclusie van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts dat appellant per 20 november 2006 geschikt was voor zijn eigen werk, voor onjuist te houden.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er voldoende grond is om aan te nemen dat het Uwv van een onjuiste werkomschrijving is uitgegaan, in welk verband hij wijst op de door hem ingebrachte werkomschrijving “Uitleg werkplekken CRW (reverse)”. Onder verwijzing naar een brief van de orthopedisch chirurg E.J.T. ten Holder van 6 februari 2007 heeft hij gesteld dat hij op 20 november 2006 nog niet arbeidsgeschikt was, omdat hij pas vanaf 6 februari 2007 zijn belasting kon uitbreiden. Voorts acht hij het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig, omdat diens conclusie niet overeenkomt met die van de huisarts en van de orthopedisch chirurg.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Volgens vaste jurisprudentie moet onder ’zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 ZW Pro worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv is uitgegaan van een juiste werkomschrijving nu deze blijkens de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Leentjens van 28 februari 2007 is gebaseerd op verkregen informatie van het Uitzendbureau [naam uitzendbureau] en de werkgever [naam werkgever B]. Daaruit blijkt dat appellant feitelijk maar een beperkt aantal taken heeft verricht, namelijk het sorteren van goederen en deze naar de bestemde locatie brengen. Uit de door appellant overgelegde werkomschrijving blijkt dat deze betrekking heeft op een aantal werkplekken en deelactiviteiten, maar niet of appellant deze activiteiten ook daadwerkelijk zelf heeft uitgevoerd. Mitsdien kan de grief van appellant dat het Uwv is uitgegaan van een onjuiste werkplekomschrijving niet slagen.
4.3. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie omtrent appellant onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. In zijn rapportage van 28 februari 2007 heeft bezwaarverzekeringsarts Waasdorp op basis van dossierstudie en met gegevens van de orthopedisch chirurg Ten Holder en van bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen, die appellant op de hoorzitting/spreekuur van 23 januari 2007 heeft gezien, geconcludeerd dat appellant per 20 november 2006 geschikt was voor zijn werk. In zijn aanvullende rapportage van 18 april 2007 heeft eerstgenoemde bezwaarverzekeringsarts nogmaals gereageerd op de door appellant overgelegde medische informatie, waarbij erop is gewezen dat genoemde orthopedisch chirurg heeft aangegeven dat appellant geen specifieke restricties werden opgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze plaatsgevonden en heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant op 20 november 2006 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn eigen arbeid. Nu in hoger beroep door appellant geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd, ziet de Raad geen aanleiding om appellant te volgen in zijn standpunt dat hij op de datum in geding nog steeds ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
4.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, is de Raad van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 april 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
CVG