ECLI:NL:CRVB:2009:BI0312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd van 52 weken
Appellant was sinds 1968 werkzaam bij een papierfabriek en meldde zich op 20 augustus 2001 ziek wegens psychische klachten. Kort daarna werd hij in voorlopige hechtenis genomen en ontslagen door zijn werkgever, die hem op 29 oktober 2001 hersteld meldde bij de Arbo Unie. Appellant verbleef tot juni 2002 in detentie en ontving daarna een bijstandsuitkering. Pas in 2005 vroeg hij een WAO-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf april 2004.
Na onderzoek kende het UWV hem een WAO-uitkering toe, maar de werkgever maakte bezwaar vanwege de hersteldmelding. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant niet voldeed aan de eis van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok de uitkering in en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel arbeidsongeschikt was gedurende de wachttijd en medische klachten had. De Raad oordeelde echter dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat appellant een onafgebroken periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid heeft doorgemaakt. Appellant heeft zich niet tegen de hersteldmelding verzet, heeft zich na detentie niet opnieuw ziekgemeld en er is geen medische behandeling tijdens detentie gebleken.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens het niet doorlopen van de wettelijke wachttijd van 52 weken.