ECLI:NL:CRVB:2009:BI0390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na geschil over hoorzitting en arbeidsgeschiktheid
Appellant, werkzaam als rozenplukker, ontving sinds 2003 een WW-uitkering en meldde zich in 2005 ziek met diverse klachten. Het UWV verleende daarop een Ziektewet-uitkering. Na onderzoek door verzekeringsartsen werd appellant per 3 oktober 2006 en 9 oktober 2006 geschikt bevonden voor arbeid, waarna het UWV de uitkering beëindigde.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat hij ten onrechte niet gehoord was vanwege een misverstand over het tijdstip van de hoorzitting. Daarnaast voerde hij aan dat zijn medische klachten waren onderschat. De Raad oordeelde dat het misverstand voor rekening van appellant kwam en dat de hoorplicht niet was geschonden.
De medische rapportages van verzekeringsartsen, inclusief een bezwaarverzekeringsarts, bevestigden dat appellant ondanks zijn klachten geschikt was voor arbeid. De brief van het UWV waarin de beëindiging van de uitkering werd bevestigd, werd niet als een nieuw besluit aangemerkt, waardoor het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
Gelet op deze overwegingen werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.