ECLI:NL:CRVB:2009:BI1193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW na herziening gezamenlijke huishouding en aflossingscapaciteit
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het maandelijks te verrekenen bedrag van haar AOW-pensioen, nadat de Sociale Verzekeringsbank (Svb) haar pensioen had herzien wegens het vaststellen van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat herziening en terugvordering niet meer aan de orde konden komen omdat de besluiten onherroepelijk waren geworden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat bij de berekening van de beslagvrije voet geen rekening was gehouden met bepaalde vaste lasten en dat onterecht de huurtoeslag was betrokken, terwijl zij deze niet ontving. Tevens stelde zij dat gewijzigde inzichten omtrent samenwonen in de AOW in haar voordeel moesten worden meegewogen.
De Raad oordeelde dat het geschil zich beperkte tot de vraag of het maandelijkse invorderingsbedrag van €324 terecht was vastgesteld. De Raad stelde vast dat de Svb bij de berekening van de beslagvrije voet rekening had gehouden met gebruikelijke vaste lasten en dat de huurtoeslag ten tijde van het bestreden besluit daadwerkelijk werd ontvangen. Daarom was het betrekken van de huurtoeslag bij de berekening correct.
De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd overwogen dat geen gronden aanwezig waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.