ECLI:NL:CRVB:2009:BI1199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en ongegrondverklaring beroep inzake weigering WAO-uitkering wegens ontbreken onafgebroken arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen, omdat er volgens het UWV geen onafgebroken arbeidsongeschiktheid van 52 weken was ingetreden. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar had appellants zoon ten onrechte niet als gemachtigde erkend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellants zoon wel als gemachtigde had moeten worden erkend, waardoor de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Omdat appellant in hoger beroep zijn standpunt heeft kunnen toelichten, wordt de zaak niet terugverwezen naar de rechtbank.
Inhoudelijk oordeelt de Raad dat het UWV terecht het besluit van 9 augustus 1991 handhaafde, waarin de WAO-uitkering werd geweigerd wegens het ontbreken van een onafgebroken periode van arbeidsongeschiktheid van 52 weken. De stukken die appellant later aanvoerde bevatten geen nieuwe relevante informatie. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering van een WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.