ECLI:NL:CRVB:2009:BI1606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-naleving inlichtingenplicht over buitenlands onroerend goed
Appellanten ontvingen vanaf oktober 2004 bijstand naast hun AOW-pensioen. Het College stelde een onderzoek in naar hun bezit van onroerend goed in Turkije, nadat onduidelijkheden ontstonden over hun vermogenspositie. Uit een rapport van de Nederlandse ambassade bleek dat appellanten eigenaar waren van een woning en bouwgrond. Appellant erkende dit tijdens een verhoor, maar stelde dat de bouwgrond was verkocht vóór de bijstand.
Het College trok de bijstand in juni 2006 in wegens het niet verstrekken van correcte en volledige inlichtingen over hun vermogen. Tevens werd de bijstand over de periode vanaf oktober 2004 tot oktober 2005 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en onderschreef de intrekking en terugvordering.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat de taxatierapporten onvoldoende waren om de waarde van het onroerend goed vast te stellen en dat appellanten geen bewijs hadden geleverd van verkoop van de bouwgrond. De Raad concludeerde dat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College handelde bevoegd en conform beleidsregels. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering van kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over buitenlands onroerend goed.