ECLI:NL:CRVB:2009:BI1710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag alleenstaande ouder wegens gezamenlijke huishouding
Appellante verzocht op 7 april 2006 om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij gaf aan dat [T.] bij haar in huis woonde. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag op 23 mei 2006 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 29 juni 2006, omdat appellante niet als alleenstaande ouder kon worden aangemerkt vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [T.].
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht of sprake was van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, WWB. Dit vereist dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven van wederzijdse verzorging, bijvoorbeeld door een bijdrage in de huishoudkosten of andere vormen van zorg.
De Raad stelde vast dat appellante en [T.] beiden hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse verzorging. Dit bleek uit verklaringen dat appellante haar woning en voorzieningen beschikbaar stelde, zij af en toe voor [T.] kookte, en [T.] boodschappen deed en op de kinderen paste. De maandelijkse bijdrage van €100 werd gezien als een bijdrage in de kosten van de huishouding en niet als een zakelijke vergoeding. Hierdoor was sprake van een gezamenlijke huishouding en moest appellante als gehuwd worden aangemerkt, waardoor zij geen recht had op bijstand voor een alleenstaande ouder. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De bijstandaanvraag van appellante als alleenstaande ouder wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [T.]