ECLI:NL:CRVB:2009:BI1760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering wegens meerinkomen op grond van Wet studiefinanciering 2000
Appellant kreeg in 2003 studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs en een OV-studentenkaart. Na controle van zijn neveninkomsten stelde de IB-Groep een vordering wegens meerinkomen van € 841,81 vast, gebaseerd op een overschrijding van de vrije voet volgens artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door de IB-Groep en de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat de informatie van de IB-Groep over de berekening van het toetsingsinkomen tekortschiet, met name dat loon in natura niet expliciet werd genoemd als onderdeel van het toetsingsinkomen. Hij voerde aan dat hij bij volledige informatie had kunnen voorkomen dat zijn inkomen de vrije voet overschreed.
De Raad overweegt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de IB-Groep onjuiste informatie heeft verstrekt. Het voorlichtingsmateriaal vermeldt niet dat alleen loon in geld meetelt, maar appellant kan daar geen vertrouwen aan ontlenen dat loon in natura buiten beschouwing wordt gelaten. De hardheidsclausule van artikel 11.5 WSF 2000 biedt geen ruimte voor uitzondering omdat de wetgever duidelijk heeft beoogd dat meerinkomen leidt tot een vordering.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vordering wegens meerinkomen van de IB-Groep op appellant.