ECLI:NL:CRVB:2009:BI1966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om per 28 april 2006 het recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellante haar eigen arbeid kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank de ernst van haar klachten had miskend en overhandigde zij medische verklaringen van een psychiater, huisarts en maatschappelijk werkende ter ondersteuning. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig was en dat de aanvullende stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De bezwaarverzekeringsarts had toegelicht dat de diagnose matige depressieve stoornis pas na de beoordelingdatum was gesteld en geen contra-indicatie voor werken vormde. Ook de diagnose borderline, die per definitie in de jeugd ontstaat, stond niet in de weg aan werkhervatting. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en zag geen reden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Bevestiging dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij in staat wordt geacht haar werk te verrichten.