ECLI:NL:CRVB:2009:BI2185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering ANW-uitkering wegens ontbreken ouderloosheid ondanks overlijden vader
Appellanten, kinderen van een overleden vader en een nog levende moeder, vroegen een wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering omdat appellanten niet ouderloos zijn, aangezien hun moeder nog in leven is en niet ontzet uit het ouderlijk gezag. De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten wegens onvoldoende onderzoek en motivatie, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stond centraal of het Marokkaanse vonnis, waarbij het verzorgingsrecht van de moeder verviel, gelijkstaat aan een ontzetting uit het ouderlijk gezag zoals bedoeld in artikel 9 ANW Pro. Het Internationaal Juridisch Instituut rapporteerde dat het Marokkaanse recht het gezag uitsluitend aan de vader toekent en het vervallen van het verzorgingsrecht niet gelijkstaat aan ontzetting uit het gezag. De Raad concludeerde dat appellanten niet als ouderloos kunnen worden aangemerkt.
Daarnaast werd vastgesteld dat de behandeling van het hoger beroep ruim vier jaar duurde, wat het vermoeden van schending van de redelijke termijn oplevert. Daarom wordt het onderzoek heropend om te beslissen over een eventuele schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding. De Staat der Nederlanden wordt als partij in deze procedure aangemerkt.
Uitkomst: De ANW-uitkering wordt geweigerd omdat appellanten niet als ouderloos worden beschouwd, maar het onderzoek wordt heropend wegens overschrijding van de redelijke termijn.