ECLI:NL:CRVB:2009:BI2319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende medische grondslag
Appellant, voormalig productiemedewerker, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2005 concludeerde een arts dat appellant duurzaam benutbare mogelijkheden had ondanks beperkingen door oog-, schouder- en psychische klachten. Een arbeidsdeskundige stelde vast dat er geen verlies aan verdiencapaciteit was, waarna het Uwv de WAO-uitkering per 10 april 2006 introk.
In de bezwaarprocedure bevestigde een bezwaarverzekeringsarts het eerdere medische oordeel en verklaarde het Uwv het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zutphen oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant in staat was de geduide functies te verrichten die aansluiten bij zijn beperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij ten onrechte werd geacht een volledige werkweek loonvormende arbeid te kunnen verrichten en verzocht om benoeming van een deskundige. De Centrale Raad van Beroep zag echter geen aanleiding het medische oordeel te herzien of een deskundige te benoemen. De Raad bevestigde dat appellant voldoende beperkingen had vastgesteld, maar dat hij in staat was de werkzaamheden te verrichten die bij de functies horen waarop de schatting was gebaseerd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant voldoende arbeidsmogelijkheden heeft volgens zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.