ECLI:NL:CRVB:2009:BI2321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen ondanks gezondheidsklachten
Appellant, die sinds oktober 1998 wegens gezondheidsklachten arbeidsongeschikt was, ontving vanaf 1999 een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 19 februari 2007 in, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant voldoende waren meegenomen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn depressieve klachten en andere symptomen hem verhinderen het werk te hervatten en dat een duurbeperking zou moeten gelden. Hij verwees naar een brief van zijn huisarts, die volgens hem meer beperkingen zou rechtvaardigen. De Raad stelde echter vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die deze stelling ondersteunen en dat de verklaring van de huisarts geen aanleiding gaf tot het aannemen van meer beperkingen.
De Raad concludeerde dat, uitgaande van een juiste inschatting van de beperkingen, appellant in staat was de werkzaamheden te verrichten die horen bij de functies waarop de schatting was gebaseerd. Het bestreden besluit werd daarom bevestigd en de aangevallen uitspraak gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant voldoende arbeidsvermogen bezit voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.