AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak en geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Betrokkene viel in juni 2003 uit wegens schouderklachten en spanningsklachten, maar kreeg in 2004 geen WAO-uitkering vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. In oktober 2005 meldde zij zich opnieuw arbeidsongeschikt met verergerde COPD en depressieve klachten. Appellant weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat de nieuwe arbeidsongeschiktheid niet voortkwam uit dezelfde oorzaak als in 2004.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat zij aannam dat de depressieve klachten mogelijk al in 2004 bestonden en de medische beoordeling onvoldoende was. In hoger beroep stelde appellant dat er in 2004 geen sprake was van psychische beperkingen die tot arbeidsongeschiktheid leidden.
De Raad oordeelt dat de medische gegevens aantonen dat de psychische klachten in 2004 niet tot beperkingen leidden en dat de ziekteoorzaak in 2005 anders is. Daarom is er geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid volgens artikel 43a WAO en is de weigering van de WAO-uitkering terecht. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid in 2005 een andere oorzaak heeft dan in 2004.
Uitspraak
07/7049 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 november 2007, 07/68
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
en
appellant.
Datum uitspraak: 29 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, zich als gemachtigde gesteld en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F Oosterbos. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Visser.
II.OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene is op 16 juni 2003 uitgevallen voor haar werk als magazijnmedewerkster in verband met schouderklachten. Tevens heeft zij bij de verzekeringsarts aangegeven dat er ook spanningsklachten waren. Appellant heeft geweigerd aan betrokkene per einde van de verlengde wachttijd, zijnde de datum 4 oktober 2004, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat betrokkene voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit in rechte vaststaat.
1.2. Op 8 oktober 2005 heeft betrokkene zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, opnieuw arbeidsongeschikt gemeld in verband met klachten van verergerde COPD en depressieve klachten. Op basis van de resultaten van het onderzoek door de verzekeringsarts Th. Hoofs op 14 juni 2006 heeft appellant bij besluit van 15 juni 2006 aan betrokkene meegedeeld dat zij niet voldoet aan de voorwaarde om vanaf vier weken na 8 oktober 2005 in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering, omdat haar huidige arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waardoor zij in 2004 arbeidsongeschikt was. Het tegen dit besluit door betrokkene gemaakte bezwaar heeft appellant, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling van 24 november 2006, bij besluit van 29 november 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant de opdracht gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar, onder bepalingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daartoe is overwogen dat op basis van de voorhanden medische gegevens kan worden aangenomen dat de in januari 2005 bij betrokkene gediagnosticeerde depressieve stoornis al enige tijd bestond en dat niet ondenkbaar is dat het medicijngebruik door betrokkene de aanwezigheid van enige vorm van psychopathologie of persoonlijkheidsstoornis kan hebben gemaskeerd, terwijl voorts door de verzekeringsartsen niet uitdrukkelijk is ingegaan op de consequenties van de informatie van de GGZ voor de onderhavige beoordeling. Op grond daarvan heeft de rechtbank geconcludeerd dat appellant niet buiten twijfel heeft gesteld dat de depressieve klachten van betrokkene in oktober 2004 nog niet bestonden en heeft zij het voordeel van de twijfel aan betrokkene gegund.
3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 13 december 2007, aangevoerd dat bij betrokkene niet eerder sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van een psychische ziekte. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 1 oktober 2004 wel vermeld dat er sprake is van psychische klachten, maar niet van beperkingen op basis van ziekte of gebrek. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte een medische beoordeling over de aanwezigheid van psychische klachten in 2004 uitgesproken.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO geldt indien degene die aan het einde van de in artikel 19 bedoeldePro wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, dat toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
4.2. Uit de voorhanden medische gegevens blijkt dat betrokkene in oktober 2004 weliswaar melding heeft gemaakt van spanningsklachten, maar dat de verzekeringsarts daarin onvoldoende medische argumenten en symptomen heeft gezien om van een psychisch ziektebeeld in enge zin dan wel van psychische beperkingen te spreken. Deze klachten hebben dan ook niet geleid tot het opnemen van beperkingen ten aanzien van de psychische belasting van betrokkene in de Functionele Mogelijkheden Lijst. In zijn rapportage van 24 november 2006, zoals nader toegelicht in de rapportage van 13 december 2007, heeft de bezwaarverzekeringsarts erop gewezen dat betrokkene in 2004 ten gevolge van de schouderklachten beperkt belastbaar werd geacht, maar dat de psychische klachten van betrokkene niet eerder hebben geleid tot het aannemen van beperkingen. De Raad acht deze verklaring van de bezwaarverzekeringsarts voldoende aannemelijk, waarmee naar het oordeel van de Raad buiten twijfel is gesteld dat bij de ziekmelding per 8 oktober 2005 sprake was van een andere ziekte-oorzaak dan bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in 2004 en dat van een toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO wegens psychische klachten dan ook geen sprake kan zijn. Mitsdien heeft appellant terecht geweigerd aan betrokkene vanaf vier weken na 8 oktober 2005 een WAO-uitkering toe te kennen.
4.3. De conclusie uit overwegingen 4.2 is dat dan ook dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd. Dat betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III.BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009.