ECLI:NL:CRVB:2009:BI3648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging boete wegens meerinkomen op grond van redelijke termijn overschrijding
Appellant stelde hoger beroep in tegen een boete opgelegd door de IB-Groep wegens meerinkomen in 1996, zoals vastgesteld op grond van artikel 26 van Pro de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). Eerder had de Raad op 2 maart 2007 geoordeeld dat de boete terecht was opgelegd, maar dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn deze met 10% moest worden gematigd en de rente over de totale vordering opnieuw moest worden berekend.
De IB-Groep nam een nieuw besluit op bezwaar waarin de boete werd verminderd met 10%, en dit besluit werd door de rechtbank Rotterdam bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat de boete onrechtvaardig was en de matiging onvoldoende, maar de Raad stelde vast dat de IB-Groep correct uitvoering had gegeven aan de eerdere uitspraak.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak benadrukt het belang van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en bevestigt dat de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst van de normoverschrijding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de matiging van de boete met 10% en herberekening van de rente wegens overschrijding van de redelijke termijn.