ECLI:NL:CRVB:2009:BI3648

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1338 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WSFArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging boete wegens meerinkomen op grond van redelijke termijn overschrijding

Appellant stelde hoger beroep in tegen een boete opgelegd door de IB-Groep wegens meerinkomen in 1996, zoals vastgesteld op grond van artikel 26 van Pro de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). Eerder had de Raad op 2 maart 2007 geoordeeld dat de boete terecht was opgelegd, maar dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn deze met 10% moest worden gematigd en de rente over de totale vordering opnieuw moest worden berekend.

De IB-Groep nam een nieuw besluit op bezwaar waarin de boete werd verminderd met 10%, en dit besluit werd door de rechtbank Rotterdam bevestigd. In hoger beroep voerde appellant aan dat de boete onrechtvaardig was en de matiging onvoldoende, maar de Raad stelde vast dat de IB-Groep correct uitvoering had gegeven aan de eerdere uitspraak.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak benadrukt het belang van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en bevestigt dat de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst van de normoverschrijding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de matiging van de boete met 10% en herberekening van de rente wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

08/1338 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2008, 07/462 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 1 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009.
Appellant is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan de huidige hoger beroepsprocedure is een eerdere procedure voorafgegaan, waarin de Raad op 2 maart 2007 (LJN BA0586) uitspraak heeft gedaan op het destijds door appellant ingestelde hoger beroep.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 1 mei 2001 had de IB-Groep het bezwaar tegen de vordering wegens meerinkomen over 1996 (op grond van artikel 26 van Pro de Wet op de studiefinanciering, hierna: WSF) gegrond verklaard en de vordering verlaagd naar € 1.500,56 wegens meerinkomen, een OV-kaart-boete van € 508,33 en een bedrag aan rente, berekend over de vordering vanaf 1 oktober 2000.
1.3. Bij de uitspraak van 2 maart 2007 heeft de Raad (kort samengevat en voorzover van belang) overwogen dat het besluit op bezwaar van 1 mei 2001 zal worden vernietigd omdat appellant ten aanzien van de boetecomponent ten onrechte niet is gehoord tijdens de bezwaarfase, doch dat, nu appellant ter zitting van de rechtbank en de Raad inmiddels afdoende in de gelegenheid is gesteld tot het inbrengen van zijn grieven terzake en om redenen van proceseconomie, aanleiding bestaat om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Vervolgens heeft de Raad geoordeeld dat de vordering van € 508,33 bij wijze van boete in dit geval in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de normoverschrijding. Ten slotte heeft de Raad geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden. De Raad heeft hierin aanleiding gevonden om te bepalen dat de opgelegde boete met 10% dient te worden gematigd en dat de rente over de totale vordering wegens meerinkomen opnieuw dient te worden berekend.
De Raad heeft vervolgens de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep tegen het besluit van 1 mei 2001 ongegrond was verklaard, vernietigd voorzover aangevochten, het beroep tegen het besluit van 1 mei 2001 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, alsook bepaald dat de IB-Groep een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van zijn uitspraak.
1.4. Bij besluit van 29 maart 2007 heeft de IB-Groep, ter uitvoering van de bovengenoemde uitspraak van de Raad, beslist dat de opgelegde boete van € 508,33 wordt gematigd met 10% en dat in verband daarmee een bedrag van € 50,83, vermeerderd met de hierover berekende rente, aan appellant wordt gerestitueerd. Voor het overige wordt het besluit van 1 mei 2001 als herhaald en ingelast beschouwd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de Raad zich in zijn bovengenoemde uitspraak reeds heeft uitgesproken over de door appellant in zijn beroepschrift genoemde gronden. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat het nieuwe besluit op bezwaar voldoet aan de opdracht van de Raad en heeft het beroep ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep is aangevoerd dat de boete van € 508,33 onrechtvaardig is en dat de matiging van dit bedrag met 10% onvoldoende is. Voorts zijn de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden herhaald.
4.1. De Raad is van oordeel dat met de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007 vaststaat dat aan appellant terecht een boete is opgelegd op grond van artikel 26 WSF Pro bij besluit op bezwaar van 1 mei 2001, doch dat deze boete in verband met overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gematigd, waartoe door de IB-Groep een nieuw besluit op bezwaar diende te worden genomen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de IB-Groep op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad. De Raad volstaat dan ook met verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank terzake welke hij tot de zijne maakt.
4.2. Gelet op het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
4.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
TM