ECLI:NL:CRVB:2009:BI4157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap en AOW-verzekering van grensarbeiderskind tussen 1979 en 1987
Appellant, geboren in 1964, betwistte dat hij tussen 23 oktober 1979 en 1 september 1987 als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hoewel hij in België woonde, stelde hij dat zijn maatschappelijk leven zich grotendeels in Nederland afspeelde, mede door de Nederlandse arbeidssituatie van zijn vader en zijn eigen sociale activiteiten in Nederland.
De Raad oordeelde dat ingezetenschap op grond van de AOW wordt bepaald door het middelpunt van het maatschappelijk leven, waarbij juridische, economische en sociale bindingen worden meegewogen. Appellant had echter nooit een woning in Nederland bewoond of stond ingeschreven in een Nederlandse gemeentelijke basisadministratie gedurende de periode in geschil. Dit leidde tot de conclusie dat hij geen ingezetene was.
Verder onderzocht de Raad of appellant op grond van artikel 7, tweede lid, van Verordening 1612/68 als verzekerd kon worden aangemerkt. De Raad volgde de jurisprudentie van het Hof van Justitie en stelde vast dat het individuele verzekeringsrecht van het in Nederland wonende kind van een in Nederland woonachtige werknemer niet als een sociaal voordeel voor die werknemer kan worden beschouwd. Hierdoor viel appellant onder het Belgische stelsel en was hij niet verzekerd voor de AOW over de periode.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 maart 2006 werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellant wordt niet als ingezetene van Nederland aangemerkt en is niet verzekerd voor de AOW over de periode 1979-1987.