ECLI:NL:CRVB:2009:BI4213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake intrekking en terugvordering WWB-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage waarbij een WWB-uitkering werd ingetrokken en teruggevorderd. Het ging om perioden waarin appellant en mevrouw [M.] een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor ten onrechte ontvangen bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gedeeltelijk gegrond en vernietigde het besluit voor een deel van de periode, waarna het College een nieuw besluit nam. Dit leidde tot een nieuwe procedure waarin appellant opnieuw beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak niet-ontvankelijk, waardoor de uitspraak van 14 augustus 2006 in gezag van gewijsde ging.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht uitging van de juistheid van haar eerdere oordeel en dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot vernietiging van het bestreden besluit konden leiden. Het hoger beroep faalde daarom en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.