ECLI:NL:CRVB:2009:BI5347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens werkhervatting en herleving recht op uitkering
Appellant ontving een WW-uitkering gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld 16 uur per week. Na werkhervatting bij een werkgever per 8 februari 2007 beëindigde het Uwv de WW-uitkering met ingang van 19 februari 2007. Appellant stelde dat hij ten onrechte slechts voor 16 uur per week beschikbaar was gesteld, terwijl hij meende recht te hebben op een uitkering voor 32 uur per week. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het bezwaar tegen een brief van 5 april 2007 niet-ontvankelijk.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit van 23 maart 2007 tot beëindiging van de WW-uitkering terecht is genomen, omdat appellant geen verlies aan arbeidsuren had en het recht op WW-uitkering daarmee geheel is geëindigd. Het eerdere besluit van 13 september 2005 tot toekenning van een uitkering voor 32 uur per week is in rechte onaantastbaar geworden.
Verder stelt de Raad dat de brief van 5 april 2007 wel een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat daarin een beslissing over de herleving van het recht op uitkering is genomen. Het Uwv heeft het bezwaar hierover ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank heeft het beroep hiertegen onterecht ongegrond verklaard. De Raad vernietigt dit onderdeel van de uitspraak en bepaalt dat het Uwv opnieuw op het bezwaar moet beslissen, inclusief een beslissing over de vergoeding van kosten en schade.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht beëindigd, maar het bezwaar tegen de brief van 5 april 2007 is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en moet opnieuw worden behandeld.