ECLI:NL:CRVB:2009:BI5930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door verzwegen disfunctioneren
Appellante was sinds april 2006 werkzaam bij een werkgever via een uitzendbureau, maar werd begin mei 2006 wegens disfunctioneren en storend gedrag op de hoogte gesteld van het voorgenomen einde van het dienstverband. Zij kreeg een maand de tijd om intern te solliciteren, maar haar gedrag veranderde niet. Tijdens een sollicitatiegesprek in juli 2006 verzweeg appellante dat haar eerdere dienstverband was beëindigd vanwege disfunctioneren en stelde zij dat zij zelf was vertrokken vanwege andere werkzaamheden.
De werkgever verloor het vertrouwen toen de werkelijke reden bekend werd en verleende haar ontslag in de proeftijd. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellante verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het verzwijgen van de werkelijke reden voor het ontslag de beëindiging van het dienstverband tot gevolg kon hebben. Er was geen aanleiding om te concluderen dat de verwijtbaarheid haar niet in overwegende mate kon worden toegerekend. Het hoger beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door verzwegen disfunctioneren.