ECLI:NL:CRVB:2009:BI5931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WW-uitkering ondanks bezwaarprocedure en gewijzigde periode
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarbij een WW-uitkering over een bepaalde periode niet werd uitbetaald omdat de aanvraag te laat was ingediend. Na bezwaar herzag het UWV het besluit en keerde alsnog een loongerelateerde en vervolguitkering uit over een kortere periode dan aanvankelijk vastgesteld.
Appellant stelde dat hij door het bezwaar in een slechtere positie was gekomen omdat het toegekende bedrag lager was dan oorspronkelijk was vastgesteld en dat het onwaarschijnlijk was dat het UWV de fout zonder bezwaar zou hebben ontdekt. De rechtbank oordeelde dat appellant niet in een nadeliger positie was geraakt omdat de uitkering nu wel werd betaald.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant door het maken van bezwaar juist in een gunstigere positie was gekomen. De overige gronden van het hoger beroep werden niet besproken omdat zij uitgingen van een onjuist uitgangspunt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.