ECLI:NL:CRVB:2009:BI6031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die het bezwaar tegen een terugvorderingsbesluit van het College ongegrond verklaarde. Het College had vastgesteld dat appellant en betrokkene in de periode van juni 2005 tot januari 2006 een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor aan betrokkene ten onrechte bijstand was verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat zij zorg droegen voor elkaar door een bijdrage te leveren aan de kosten van de huishouding. Dit is in overeenstemming met de definitie van gezamenlijke huishouding in artikel 3 van Pro de WWB. Daarbij is doorslaggevend dat uit hun relatie vier kinderen zijn geboren.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en wijst erop dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zou afwijken van de vastgestelde feiten. Het College was bevoegd om de bijstand mede van appellant terug te vorderen op grond van artikel 59, tweede lid, WWB. Het terugvorderingsbeleid is correct toegepast en er is geen reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.