ECLI:NL:CRVB:2009:BI6698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatman en mate van arbeidsongeschiktheid in WAO-uitkering
Appellant stelde hoger beroep in tegen de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV, waarbij de rechtbank Middelburg eerder oordeelde dat niet de juiste maatman was bepaald. Tijdens de procedure kwamen partijen overeen dat de laatst verrichte werkzaamheden voor de gemeente als maatman dienden.
Het UWV stelde op basis van deze maatman de mate van arbeidsongeschiktheid per 14 oktober 2002 en 11 december 2003 opnieuw vast, zonder relevante wijziging. Appellant voerde aan dat de daling in arbeidsongeschiktheid niet verklaard werd door afname van beperkingen, maar dit werd verworpen omdat de functies waarop de schattingen zijn gebaseerd een hoger uurloon hadden.
De Raad concludeerde dat appellant geen belang meer had bij beoordeling van de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 1 oktober 2007 werd ongegrond verklaard, omdat geen onjuiste gegevens of berekeningsmethodiek waren gebruikt. De Raad vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en wees het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2007 ongegrond.