ECLI:NL:CRVB:2009:BI6817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering en toerekening van ontvangen bedragen ex-echtgenoot
Appellante had een bijstandsuitkering toegekend gekregen met ingang van 2 mei 2006. Het College van burgemeester en wethouders van Purmerend had bezwaar tegen de ingangsdatum ongegrond verklaard, mede omdat appellante tussen 17 februari en 12 april 2006 bedragen van in totaal € 775,-- van haar ex-echtgenoot had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat appellante vanaf 16 januari 2006 recht had op bijstand, maar dat zij over de periode van 17 februari tot 12 april 2006 geen recht had vanwege de ontvangen bedragen. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand.
Appellante stelde dat de ontvangen bedragen een lening waren en niet als middelen meegewogen mochten worden. De Raad oordeelde dat dit niet aannemelijk was, mede omdat de bedragen als 'bijdrage' waren omschreven en geen aanwijzingen voor een lening aanwezig waren.
De Raad stelde vast dat de bijstand per kalendermaand moet worden vastgesteld en dat de inkomsten, waaronder de bedragen van de ex-echtgenoot, aan de maand van ontvangst moeten worden toegerekend. Uit de gegevens bleek dat appellante in maart en april 2006 meer dan de bijstandsnorm ontving, waardoor zij geen recht had op bijstand in die maanden, maar wel in februari 2006 en op 1 mei 2006.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het besluit van 8 september 2006, behalve voor de proceskosten en griffierecht, en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen over de bijstand voor februari en mei 2006. Tevens veroordeelde de Raad het College in de kosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 8 september 2006 vernietigd, en het College moet een nieuw besluit nemen over bijstand voor februari en mei 2006.