ECLI:NL:CRVB:2009:BI6845

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6369 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op besluit bijstand wegens ontbreken nieuw feiten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad die het beroep tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaarde. Het geschil betreft de vraag of appellant terecht is geweigerd terug te komen op het besluit van 15 februari 2005 inzake bijstand.

De rechtbank oordeelde dat de door appellant aangevoerde feiten niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant voerde aan dat een eerdere uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage zou aantonen dat hij ten tijde van zijn aanvraag rechtmatig verblijf had, wat zou leiden tot een evidente onjuistheid van het oorspronkelijke besluit.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt. Het College was bevoegd het verzoek om terug te komen op het besluit af te wijzen. De Raad ziet geen reden om het College te verwijten niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik te hebben gemaakt. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

07/6369 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 oktober 2007, 07/332 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwartewaterland (hierna: College).
Datum uitspraak: 19 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Alaca. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Velema en K. Stoppels, beiden werkzaam bij de gemeente Zwartewaterland.
II. OVERWEGINGEN
1. De feiten die in rubriek 1 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep in geschil - het beroep tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij, kort samengevat, overwogen dat hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 15 februari 2005 heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant heeft aangevoerd dat uit de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zitting houdende te Roermond, van 19 juli 2004 blijkt dat appellant ten tijde van zijn aanvraag om bijstand op 20 december 2004 rechtmatig verblijf had in Nederland, zodat sprake is van een evidente onjuistheid van het besluit van 15 februari 2005. Op grond hiervan had het College niet in redelijkheid mogen weigeren het eerdere besluit ongedaan te maken.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb alsmede de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt aan het voorgaande nog toe dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt.
4.3. Het College was dan ook bevoegd om het verzoek om terug te komen van het besluit van 15 februari 2005 af te wijzen op de wijze als is bepaald in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.4. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak,voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten,
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en A.B.J. van der Ham en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) B.E. Giesen.
NK