ECLI:NL:CRVB:2009:BI6940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van de uitspraak inzake de weigering van ziekengeld op basis van medische geschiktheid
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 3 juni 2009 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van een ziekengelduitkering aan appellant, die in beroep was gegaan tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak van 28 maart 2007, waarin een zorgvuldigheidsgebrek werd vastgesteld. Het Uwv had in die uitspraak de zorgvuldigheid niet in acht genomen door geen onafhankelijk psychiater in te schakelen. In de huidige procedure heeft het Uwv het zorgvuldigheidsgebrek opgeheven door psychiater dr. L. Timmerman in te schakelen, die appellant heeft onderzocht en een rapport heeft uitgebracht. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dit rapport geconcludeerd dat de medische grondslag van het besluit van 8 april 2004, waarbij appellant hersteld werd verklaard, wordt bevestigd.
De Raad heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 13 augustus 2008 voldoende heeft gemotiveerd dat de door appellant in beroep overgelegde medische gegevens geen afbreuk doen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij op 12 april 2004 niet geschikt was voor zijn arbeid. De Raad heeft de overwegingen van de rechtbank onderschreven en geen redenen gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek door Timmerman.
De Raad heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd, waarin het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond werd verklaard. De Raad heeft geen termen aanwezig geacht voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wat betekent dat er geen proceskostenvergoeding wordt toegekend. De uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar, in tegenwoordigheid van griffier E.M. de Bree, en is openbaar uitgesproken op 3 juni 2009.