ECLI:NL:CRVB:2009:BI7079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering kinderbijslag wegens niet gehouden hoorzitting
Appellant diende op 9 mei 2005 een aanvraag in voor kinderbijslag voor zijn vier kinderen, inclusief een verzoek voor terugwerkende kracht over het eerste kwartaal van 2004. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit deel van de aanvraag af omdat het recht op kinderbijslag niet meer dan een jaar terug kan worden vastgesteld. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde deze beslissing.
In hoger beroep stelde appellant dat de Svb ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden, terwijl hij betwistte dat er geen bijzonder geval was voor de late aanvraag. De Raad oordeelde dat het gebruik van het woord 'kennelijk' in artikel 7:3 Awb Pro betekent dat alleen kan worden afgezien van horen als geen redelijke twijfel bestaat over de ongegrondheid van het bezwaar. Dit was hier niet het geval, omdat appellant een stelling had ingenomen die nader had moeten worden onderzocht via een hoorzitting.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Wat betreft de inhoudelijke afwijzing van de aanvraag over het eerste kwartaal van 2004, oordeelde de Raad dat de Svb terecht de aanvraag als nieuw had aangemerkt en dat er geen bijzonder geval was om van de termijn af te wijken. De rechtsgevolgen van het besluit blijven daarom in stand. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van kinderbijslag wordt vernietigd wegens het niet houden van een hoorzitting, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.