ECLI:NL:CRVB:2009:BI7158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen bankrekening met overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving van oktober 2002 tot december 2005 bijstand. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst bleek dat zij op 31 december 2003 een bankrekening met een saldo boven de voor haar geldende vermogensgrens had, zonder dit te melden. Het College trok daarop de bijstand over een deel van 2004 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het tegoed op de bankrekening toebehoorde aan haar gokverslaafde zoon en dat zij het geld slechts beheerde voor hem en zijn echtgenote. De Raad oordeelde dat appellante niet slaagde in het bewijs dat het tegoed niet tot haar vermogen behoorde, mede omdat haar verklaringen tegenstrijdig waren en de bankafschriften geen patroon van beheer voor derden lieten zien.
De Raad zag geen reden om de zoon en dochter als getuigen op te roepen, aangezien hun verklaringen het standpunt van appellante onderschreven en dit geen nieuwe inzichten zou opleveren. De Raad bevestigde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden en dat het College terecht de bijstand had ingetrokken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; intrekking bijstand bevestigd wegens niet gemelde bankrekening met overschrijding vermogensgrens.