ECLI:NL:CRVB:2009:BI7386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en geschiktheid voor functies na knie- en psychische klachten
Appellante, een voormalige bankmedewerkster, viel uit wegens knieklachten en later psychische klachten, waarna zij een WAO-uitkering ontving. Het UWV trok haar uitkering per 30 augustus 2005 in, wat door appellante werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV onderschreef.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat zij onjuist was beoordeeld volgens het aangepaste Schattingsbesluit en de werkweek van 38 uur in plaats van 40 uur. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de medische onderbouwing juist was, waarbij nieuw medisch bewijs na de datum in geschil niet relevant werd geacht.
Het UWV nam een nieuw besluit waarin het bezwaar van appellante deels werd gehonoreerd door de maatman aan te passen, maar de uitkering ongewijzigd bleef. De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 november 2005 wordt gegrond verklaard en vernietigd; het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2007 wordt ongegrond verklaard.