ECLI:NL:CRVB:2009:BI7933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering ANW-uitkering wegens kennelijke onredelijkheid
Appellant ontving sinds 1992 een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1998 herzien en een terugvordering ingesteld van ruim € 31.000. De rechtbank had het bezwaar tegen deze herziening deels gegrond verklaard vanwege een motiveringsgebrek van de Svb, maar het beroep van appellant werd uiteindelijk ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat de Svb het verzoek om inlichtingen niet aan zijn gemachtigde had gestuurd, wat in strijd was met artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens voerde hij aan dat de terugvordering financieel en geestelijk ingrijpend was, mede gezien zijn beperkte inkomsten. De Svb erkende een verwijt voor het niet adequaat reageren op verstrekte inlichtingen, maar vond de terugvordering niet onevenredig ingrijpend.
De Raad oordeelde dat het verzoek om inlichtingen inderdaad mede aan de gemachtigde had moeten worden gestuurd, wat een schending van artikel 6:17 Awb Pro opleverde. Hoewel deze schending niet per se tot vernietiging zou leiden, kon het bestreden besluit op inhoudelijke gronden niet in stand blijven. Gezien het ontbreken van verwijt aan appellant en het verwijt aan de Svb, en de ingrijpende terugvordering van meer dan € 7.000 over achttien maanden, achtte de Raad de herziening kennelijk onredelijk.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en bepaalde dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Svb moet een nieuwe beslissing nemen rekening houdend met de uitspraak.