ECLI:NL:CRVB:2009:BI8283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht zelfstandige
Appellant ontving vanaf 1 januari 2003 tot 25 juli 2005 een WW-uitkering en begon op 1 maart 2003 een eenmanszaak. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde een onderzoek in naar de juiste invulling van werkbriefjes, wat leidde tot een rapport werknemersfraude. Op basis hiervan beëindigde het Uwv de WW-uitkering over de periode 20 oktober 2003 tot 31 augustus 2004 en stopte deze geheel per 1 september 2004 vanwege overschrijding van het aantal uren.
Appellant gaf alleen de declarabele uren op, niet de indirect gewerkte uren zoals administratie, acquisitie en zelfstudie. De rechtbank oordeelde dat appellant daarmee zijn inlichtingenplicht volgens artikel 25 WW Pro schond en dat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren dat alleen directe uren hoefden te worden opgegeven. De brochure van het Uwv maakte duidelijk dat ook indirecte uren moesten worden opgegeven.
In hoger beroep stelde appellant dat hij onjuist geïnformeerd was door een medewerkster van het Uwv, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Er was geen sprake van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging. De Raad wees ook een beroep op het vertrouwensbeginsel af en bevestigde de terugvordering van € 13.325,60. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.