ECLI:NL:CRVB:2009:BI8403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over overname onbetaalde pensioenpremies volgens WW-artikel 64
Appellante was van 1990 tot 2003 in dienst bij een werkgever die in 2003 failliet werd verklaard. Na ontdekking dat pensioenpremies onbetaald waren gebleven, verzocht zij het UWV om overname van deze premies op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV wees dit verzoek aanvankelijk af vanwege overschrijding van de termijn.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het UWV wijzigde later haar standpunt en nam de onbetaalde pensioenpremies over voor de periode van 16 februari 2002 tot 16 februari 2003. Appellante wilde echter dat ook premies van vóór deze periode werden overgenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV conform artikel 64 van Pro de WW slechts verplicht is premies over te nemen over het jaar voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking. Het beroep tegen het besluit van 18 juli 2008 werd daarom ongegrond verklaard. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt deels gegrond verklaard; het UWV moet onbetaalde pensioenpremies over het laatste jaar van de dienstbetrekking overnemen, maar niet voor eerdere perioden.