ECLI:NL:CRVB:2009:BI9637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW-uitkering ondanks gezondheidsargumenten appellante
Appellanten maakten bezwaar tegen de terugvordering van AOW-uitkeringen door de Sociale Verzekeringsbank (Svb), waarbij zij stelden dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de beslagvrije voet onjuist was toegepast. Tevens voerden zij aan dat de gezondheidssituatie van appellante een dringende reden vormde om af te zien van terugvordering.
De rechtbank vernietigde eerdere besluiten vanwege procedurele fouten, maar verklaarde het bezwaar tegen de invorderingsbesluiten ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellanten vanaf 1 augustus 1996 een gezamenlijke huishouding vormen en dat de norm voor gehuwden correct is toegepast bij de berekening van de beslagvrije voet.
De Raad oordeelt dat de gezondheidssituatie van appellante geen dringende reden oplevert zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de AOW, omdat geen verband is gebleken met de gevolgen van de terugvordering. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de AOW-uitkering bevestigd.